6-3-2025 In 2025 nog gebruikmaken van de middelingsregeling?

De middelingsregeling is per 1 januari 2023 vervallen. De laatste periode waarover u kunt middelen, is 2022, 2023 en 2024.

Nederland kent een progressief belastingtarief. Iemand die een sterk wisselend inkomen heeft, kan door de middelingsregeling de progressie deels ontgaan. Dit speelt bijv. bij een hoge ontslagvergoeding of bij ondernemers waar de winst jaarlijks flink fluctueert.

Voor de middelingsregeling wordt uitgegaan van het inkomen in box 1 over drie opeenvolgende jaren. U mag zelf weten welke jaren, maar u mag over een jaar slechts één keer middelen. Over deze jaren mag u uw belasting berekenen alsof uw inkomen hetzelfde was. Heffingskortingen tellen daarbij niet mee. Het verschil in belasting krijgt u terug, op een bedrag van € 545 na.

De middelingsregeling is per 2023 afgeschaft. Dit betekent dat u alleen nog maar kunt middelen over tijdvakken waarin 2022 of eerdere jaren voorkomen. Dit betekent dat het laatste tijdvak waarover gemiddeld kan worden het tijdvak 2022-2024 is.

Een verzoek om middeling kan pas worden ingediend nadat voor alle betrokken jaren de aanslag definitief vaststaat. Verder is van belang dat dit moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de aanslag over het laatste jaar definitief vast is komen te staan. Als u dus wilt middelen over de jaren 2022-2024, dan heeft u tot drie jaar nadat de aanslag over 2024 definitief is vastgesteld de tijd. Dit is na verloop van zes weken nadat u de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2024 heeft ontvangen.

13-02-2025 Afwegingskader bij handhaving fiscus op schijnzelfstandigheid zzp’ers

De Belastingdienst handhaaft vanaf 1 januari jl. weer op schijnzelfstandigheid bij zzp’ers.

Bij de handhaving past de Belastingdienst de arbeidsrechtelijke regels toe. De Hoge Raad heeft eerder in het zogenaamde Deliveroo-arrest de kaders gegeven waarbinnen moet worden getoetst of werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige kunnen worden verricht. Daarbij hanteert de Hoge Raad een gezichtspuntencatalogus. De Toelichting Beoordeling arbeidsrelaties Beslis- en afwegingskader van de Belastingdienst vindt u op: Toelichting Beoordeling arbeidsrelaties – Beslis- en afwegingskader.

Bij het laatste (negende) gezichtspunt, ook wel het externe ondernemerschap genoemd, verdient vermelding dat de Hoge Raad binnenkort uitspraak doet in de zogenaamde Uber-zaak. Daarbij gaat de Hoge Raad nader in op de vraag of dit gezichtspunt een zelfstandige betekenis heeft of alleen een rol speelt als niet al op basis van de eerste acht gezichtspunten is vastgesteld dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht.

Het Ministerie van Financiën heeft op LinkedIn de meestgestelde vragen over de handhaving gepost (https://www.linkedin.com/posts/ministry-of-finance-of-netherlands_meestgestelde-vragen-over-schijnzelfstandigheid-activity-7287470224189108224-J6Xj?utm_source=share&utm_medium=member_desktop).

Ipsos heeft onderzoek gedaan naar hoe ondernemers aankijken tegen de handhaving op schijnzelfstandigheid. 51% van de ondernemers vindt het positief dat er op schijnzelfstandigheid gehandhaafd gaat worden. Als motivatie noemen ze dat het uitbuiting tegengaat en zorgt voor een eerlijker speelveld. 22% van de ondernemers vindt de handhaving negatief, bijv. omdat de uitvoerbaarheid lastig is, de wet te veel mensen raakt of het gevolgen kan hebben voor de flexibele inzet van personeel. Het volledige rapport vindt u op: Ondernemers overwegend positief over handhaving schijnzelfstandigheid – Ipsos I&O Publiek.

16.1.2025 Fiets en auto van de zaak

Uw werknemer heeft een auto van de zaak. Maar zo af en toe kan het handig en aantrekkelijk zijn om voor het woon-werkverkeer even de fiets te pakken. Hoe pakt u dat als werkgever aan?

Als uw werknemer een auto van de zaak heeft, kan het soms toch handig en aantrekkelijk zijn om voor het woon-werkverkeer even de fiets te pakken, bijv. als het mooi weer is en hij deze dag geen verre zakenreis hoeft af te leggen. Ook uit hoofde van gezondheid kan zo’n fietstochtje aan te raden zijn.

Fiets van de zaak

Auto en fiets? Ook al heeft uw werknemer de beschikking over een auto van de zaak, dan kunt u hem desondanks toch ook belonen met een, al dan niet elektrische, fiets van de zaak of speedpedelec. Ook de populaire fatbike is nog steeds een fiets die dus ook voor deze regeling in aanmerking komt. Zelfs de mountainbike, racefiets en (elektrische) bakfiets komen hiervoor in aanmerking.

Privégebruik. De bij de auto van de zaak bekende 500-kilometergrens is niet van belang voor de fiets van de zaak. U weet, bij de auto van de zaak moet er een bijtelling op het loon van de werknemer plaatsvinden als de werknemer op jaarbasis 500 kilometer of meer privé gebruikmaakt van de auto.

Bijtelling van 7%

Voor de fiets geldt in alle gevallen heel eenvoudig een bijtelling van 7% over de consumentenadviesprijs, inclusief eventuele accessoires en inclusief btw. Daarover wordt loonbelasting en premie volksverzekeringen ingehouden. Als werkgever betaalt u de premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw over het 7%-loonbestanddeel.

Gebruik niet van belang. Het doet er dan in het geheel niet toe of de werknemer al dan niet vaak gebruikmaakt van de fiets voor woon-werkverkeer of voor andere zakelijke ritten. Ook bij enkel privégebruik geldt de 7% bijtelling omdat de Belastingdienst er nu eenmaal van uitgaat dat de fiets door de werkgever voor het woon-werkverkeer ter beschikking wordt gesteld.

Administratief handig. Als werkgever hoeft u dus ook niet bij te houden of uw werknemer, en zo ja, hoe vaak hij gebruikmaakt van de fiets voor bijv. het woon-werkverkeer.

Aandachtspunten

Bijkomende fietskosten. Als werkgever kunt u met uw werknemer afspreken dat ook alle onderhoudskosten van de fiets voor uw rekening komen. Ook dat is weer ongeacht het aantal verreden zakelijke fietskilometers. Deze kosten zijn voor uw winstbelasting geheel aftrekbaar.

Oplaadkosten elektrische fiets. Laadt uw werknemer de fiets op zijn thuisadres of elders voor eigen rekening op, dan kunt u deze kosten belastingvrij aan hem vergoeden. Voor de werkkostenregeling gelden deze kosten als intermediaire kosten.

Eigen bijdrage. U kunt ook overeenkomen dat uw werknemer een bepaald bedrag als eigen bijdrage aan u voldoet. Dit bedrag komt dan in mindering op de 7% bijtelling en wordt gewoon verwerkt in de reguliere salarisbetaling.

Vrije ruimte werkkostenregeling. Als werkgever kunt u ten slotte ook bepalen om alle kosten van de fiets, inclusief de 7% bijtelling, voor uw rekening te nemen. Deze 7% bijtelling valt dan in de werkkostenregeling en als uw vrije ruimte nog niet (geheel) is benut, vindt er geen belastingheffing bij de werknemer plaats.

Ook voor dga. Ook de dga kan gebruikmaken van deze regeling.

Een fiets van de zaak is ook mogelijk als de werknemer al de beschikking heeft over een auto van de zaak. Hoeveel zakelijke kilometers er met de fiets worden gereden, is niet relevant. De bijtelling bedraagt 7% van de cataloguswaarde en kan onder voorwaarden in de vrije ruimte van de werkkostenregeling vallen. Dit geldt ook voor de dga.

16.1.2025 zzp’er met een BV en schijnzelfstandigheid

Zoals bekend, gaat de Belastingdienst weer actief controleren op schijnzelfstandigheid. In de media wordt gesuggereerd dat een zzp’er discussie met de Belastingdienst kan voorkomen door zichzelf vanuit een BV te verhuren. Klopt dat wel?

Historie

VAR. Eerst was er de VAR: de Verklaring arbeidsrelatie. Daarbij gaf de Belastingdienst vooraf met een beschikking enige mate van zekerheid over de relatie tussen de zzp’er en de opdrachtgever. Dat was tot op zekere hoogte fijn, want met deze VAR in de hand kon een zzp’er vaak de gewenste opdracht aannemen. Om diverse politieke, budgettaire en uitvoeringstechnische redenen is in 2014 besloten tot de Wet DBA.

Wet DBA. De Wet DBA zegt in feite maar één ding: de Belastingdienst geeft vooraf geen zekerheid meer over de arbeidsrelatie tussen opdrachtgever en de zzp’er: dus exit VAR. De angst voor de Wet DBA die rondgaat onder zzp’ers en opdrachtgevers, heeft niets met de inhoud van de Wet DBA zelf te maken, maar met de gevolgen ervan.

Handhavingsmoratorium. Het gevolg van de Wet DBA is dat de Belastingdienst dus achteraf controleert of een zzp’er wel zo zelfstandig is als beweerd wordt. Dat hebben ze alleen sinds 2014 niet actief gedaan (dit is het handhavingsmoratorium). In 2025 start de Belastingdienst de handhaving weer op, met naar verluid 80 medewerkers. Daarbij laat de Belastingdienst, bij gebrek aan concrete wetgeving, zich voornamelijk leiden door rechtspraak die al ruim 100 jaar oud is en het recente Deliveroo-arrest.

Vereisten dienstbetrekking

Er is sprake van een dienstbetrekking (en dus geen zelfstandig ondernemerschap) als er voldaan is aan drie eisen:

  1. de overeengekomen arbeid moet door de opdrachtnemer zelf verricht worden (de zzp’er kan niet zomaar een ander sturen); en
  2. de opdrachtgever moet daarvoor de opdrachtnemer betalen; en
  3. de opdrachtnemer verricht de werkzaamheden onder het gezag van de opdrachtgever.

Let op.  Nu zal elke zzp’er doorgaans zelf het werk moeten doen en ervoor betaald krijgen, dus bij gezag ontstaat doorgaans de probleemzone.

Wat is gezag?

Welke elementen zijn er van belang? De opdrachtgever bepaalt in vergaande mate hoe het overeengekomen werk moet worden uitgevoerd. Denk daarbij aan regels ten aanzien van werktijden en werklocatie, instructies hoe het werk te doen, beoordelingsgesprekken, verantwoordelijkheid afleggen aan een meerdere, het ter beschikking stellen van een mobiel, laptop of auto en gelijke spelregels met de overige personeelsleden, zoals bedrijfsfeestjes en toegang tot cursussen. Dit is maar een greep uit de variabelen die hier spelen. Let op.  Dat wil dus niet per se zeggen dat als een zzp’er een opdracht krijgt waarvoor verantwoording moet worden afgelegd en waarvoor instructies gegeven zijn, er meteen sprake is van gezag.

Grote zorgen. Het is echter zeer aannemelijk dat er in de Nederlandse arbeidsmarkt honderdduizenden zzp’ers werken die zich zullen herkennen in de hiervoor gegeven opsomming van elementen die op gezag wijzen. Met name deze groep maakt zich nu grote zorgen om hun volgende opdracht, omdat de manier waarop de overheid de handhaving heeft aangekondigd, nogal wat teweeg heeft gebracht bij opdrachtgevers.

Zzp’ers aan de kant gezet. Daarbij helpt het niet dat de overheid zelf jarenlang het verkeerde voorbeeld heeft gegeven. Binnen de overheid zijn nog nooit zo veel zzp’ers actief geweest als in 2024. Dat slechte voorbeeld is nogal rigoureus teruggedraaid: diverse ministeries namen hierin het voortouw en kondigden in augustus al aan dat zij geen zzp’ers meer zouden inhuren. Vrijwel meteen daarachteraan volgden grote (commerciële) opdrachtgevers ook: “De zzp’er moet maar solliciteren of zich laten detacheren via een detacheringsbureau, wil er nog een opdracht zijn in 2025”.

De BV als oplossing?

In deze tijd van onzekerheid duiken doorlopend berichten op, al dan niet op de socials, waarin beweerd wordt dat de BV de oplossing is: “Richt als zzp’er een BV bij ons op en laat de BV jou verhuren aan je opdrachtgever. Dan bent u in loondienst bij uw BV en dus niet bij de opdrachtgever. Probleem opgelost”. Helaas werkt het niet zo!

Laat u niet mis- of verleiden. Ook als een zzp’er vanuit een eigen BV de opdracht uitvoert (de BV wordt dan de opdrachtnemer), gaat het bij de beoordeling van gezag nog altijd om de natuurlijke persoon die het werk uitvoert. Er wordt dus door de rechtsvorm heen gekeken naar de feitelijke gebeurtenissen op de werkvloer. Dat de zzp’er in loondienst is van zijn eigen BV, doet daar helemaal niets aan af.

Nieuwe wet in 2026?

Het is de bedoeling dat in 2026 het wetsvoorstel ‘Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden’ (VBAR) van kracht wordt. De overheid streeft er met deze wet naar dat er meer duidelijkheid komt over wat gezag is.

Criteria zelfstandigheid. Daartoe zijn in het wetsontwerp een aantal criteria opgenomen die duiden op zelfstandigheid (Z) en een aantal criteria die duiden op werknemerschap (W). Als er meer Z dan W is, dan zal in beginsel de zzp’er ook daadwerkelijk als zelfstandige beschouwd worden. De Z-criteria zijn vooralsnog (dit is dus niet een opsomming van eisen zoals bij arbeid, loon en gezag):

  1. financiële en juridische risico’s van het werk liggen bij de opdrachtnemer;
  2. de opdrachtnemer zorgt zelf voor de middelen en materialen die voor het werk nodig zijn;
  3. de opdrachtnemer is in bezit van diploma’s, kennis en ervaring die niet structureel bij de opdrachtgever aanwezig zijn;
  4. de opdrachtnemer presenteert zich tijdens het werk als zelfstandig;
  5. de opdracht is van korte duur of een beperkt aantal uren per week.

Laag uurtarief. Daarnaast gaat het rechtsvermoeden van werknemerschap, ongeacht het hiervoor gegeven rijtje, gelden als het uurtarief onder € 33 ligt.

Verdere inperking. Het lijkt erop dat hiermee de buitengrenzen aan de zelfstandigheid nog verder ingeperkt worden. Met name in de sectoren zorg, onderwijs en bouw voldoet vrijwel elke zzp’er al minimaal niet aan criteria 2 en 3. Is de opdracht dan ook nog voor langere tijd, dan is het aannemen van de opdracht als zzp’er fiscaal niet mogelijk. Let op.  Hoewel dit nog maar een wetsvoorstel is, is het raadzaam de ontwikkelingen rond de VBAR goed in de gaten te houden, zeker als u een zzp’er inhuurt met een uurtarief onder € 33.

Gevolgen handhaving

Hoewel de Belastingdienst met betrekkelijk weinig arbeidskracht gaat handhaven en aangegeven heeft terughoudend te zijn met boetes, kan constatering van een verkapte dienstbetrekking toch omvangrijke gevolgen hebben.

Voor de opdrachtgever. Gevolgen voor de opdrachtgever kunnen zijn:

·         loonbelasting en premies werknemersverzekeringen;

·         premies werkgeverslasten, zoals pensioenpremies;

·         doorbetaling bij ziekte;

·         cao-loon betalen (indien het zzp-uurtarief daaronder lag);

·         juridische kosten om deze lasten te verhalen op de zzp’er, zo dit al mogelijk is of overeengekomen was.

Voor de opdrachtnemer. Gevolgen voor de opdrachtnemer kunnen zijn:

·         verlies van de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling;

·         geen aftrek van kosten;

·         afgedragen btw over de omzet wordt niet terugbetaald;

·         terugbetalen in aftrek gebrachte voorbelasting;

·         juridische kosten om zich te verweren tegen opdrachtgevers die de extra lasten gaan verhalen.

Twijfelt u als opdrachtgever aan de zelfstandigheid van de beoogd opdrachtnemer, laat u dan niet verleiden om de opdracht aan te nemen, enkel omdat er een BV tussengeschoven is. Overweeg in dat geval detachering waarbij het mogelijk is om zelf met de zzp’er een uurtarief en de werkzaamheden af te spreken.

8.11.2024 Dividend in 2024 of in 2025 uitkeren?

In 2024 geldt er een tarief van 24,5% voor dividenduitkeringen tot € 67.000 (voor fiscaal partners tot € 134.000). Daarboven bent u 33% inkomstenbelasting verschuldigd. Dit gaat veranderen. In het Belastingplan 2025 heeft het kabinet aangekondigd dat men het hoogste tarief per 2025 gaat verlagen van 33 naar 31%. Het is dus aantrekkelijk om dividend niet in 2024 maar in 2025 uit te keren. Of toch niet?

In welk jaar u het minste belasting betaalt over een dividenduitkering, is sterk afhankelijk van uw situatie. Allereerst is er natuurlijk het tarief in box 2. Bij grote dividenduitkeringen (boven € 67.000 dan wel € 134.000) kunt u profiteren van de tariefsverlaging van 33 naar 31%. Maar als u regelmatig dividend uitkeert, is het raadzaam om de mogelijkheid tot het uitkeren van een kleiner dividend tegen 24,5% in 2024 niet verloren te laten gaan.

Voor het doen van een dividenduitkering moet uw BV over voldoende vrij uitkeerbare reserves beschikken. U moet dit voorafgaand aan een dividenduitkering vaststellen. Zo voorkomt u dat u achteraf aansprakelijk kunt worden gesteld voor een eventueel tekort.

Met ingang van 2025 gaat inkomen in box 2, waaronder een dividenduitkering, meetellen voor de afbouw van de algemene heffingskorting (AHK). Dit betekent dat deze heffingskorting met 6,337% daalt naarmate het inkomen stijgt. Wellicht heeft u al een dermate hoog inkomen waardoor u geen aanspraak kunt maken op de AHK. Maar als dit niet het geval is, moet u er rekening mee houden dat een dividenduitkering in 2025 dus 6,337% duurder wordt.

Een (kleinere) uitkering in 2024 ligt dan wellicht meer voor de hand. Maar ook daarbij zijn kanttekeningen te maken. Zo wordt deze uitkering onderdeel van uw privévermogen per 1 januari 2025 en dus onderdeel van de box 3-heffing in 2025. Of dit nadeel oplevert en hoe groot dit nadeel is, is afhankelijk van de omvang van uw overige privévermogen en de wijze waarop de uitkering rendeert (spaargeld, belegging, vastgoed).

8.11.2024 Wijzigingen kleineondernemersregeling btw per 1 januari 2025

Vanaf 1 januari 2025 komen er enkele wijzigingen in de kleineondernemersregeling (KOR). Op basis van deze regeling mogen ondernemers met een beperkte omzet afzien van het berekenen (en verrekenen) van btw.

·         Deelnameperiode. Op dit moment geldt er een verplichte deelname van minimaal drie jaar. Deze komt te vervallen.

·         Digitaal aan- of afmelden. Op dit moment moet er een schriftelijk formulier worden gebruikt voor het aan- of afmelden voor de KOR. Sinds 1 oktober 2024 kan dit alleen nog digitaal via Mijn Belastingdienst Zakelijk.

·         Sneller opnieuw aanmelden. Na afmelding mag u op dit moment drie jaar niet deelnemen aan de KOR. Deze periode wordt verkort. Vanaf 1 januari 2025 geldt hiervoor de rest van het jaar waarin u zich afmeldde en het jaar daarop. Na afmelding in de loop van 2025 kunt u dus per 1 januari 2027 weer deelnemen.

·         Einde deelname buitenlandse ondernemers. Vanaf 1 januari 2025 is het voor buitenlandse ondernemingen met een vaste inrichting in Nederland niet meer mogelijk om deel te nemen aan de KOR.

8.11.2024 Giftenaftrek voor BV’s vervalt per 1 januari 2025

Het kabinet is voornemens de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting te laten vervallen. Maar dit is niet alles. Er is ook voorgesteld een gift aan een goed doel met ingang van 1 januari 2025 aan te merken als een belaste dividenduitkering.

Als uw BV in 2024 een gift doet aan een algemeen nut beogende instelling (een goed doel met een ANBI-status) of aan een steunstichting van een sociaal belang behartigende instelling (SBBI), is deze gift aftrekbaar van de winst. Voorwaarde is wel dat de BV de gift schriftelijk kan bewijzen. Ook is de aftrek beperkt tot 50% van de winst en is de maximaal aftrekbare gift € 100.000. Is de gift hoger, dan is het meerdere niet aftrekbaar.

Op 1 januari 2024 is de Regeling geven uit de vennootschap ingevoerd. In deze regeling is bepaald dat giften boven het maximaal aftrekbare bedrag voor de vennootschapsbelasting niet tot een dividenduitkering aan de aandeelhouders leiden.

Veranderingen in 2025

In het Belastingplan 2025 heeft het kabinet aangekondigd dat de giftenaftrek voor de vennootschapsbelasting komt te vervallen. Ook komt de Regeling geven uit de vennootschap één jaar na haar invoering weer te vervallen. Als deze plannen werkelijkheid worden, heeft dit tot gevolg dat iedere gift door een BV aan een ANBI of SBBI niet meer aftrekbaar is en dat deze giften worden aangemerkt als een belaste dividenduitkering aan de aandeelhouders.

De gift aan de ANBI/SBBI is in 2025 niet meer aftrekbaar en leidt dus niet meer tot een besparing van vennootschapsbelasting. Voor de inkomsten-/dividendbelasting wordt de gift aangemerkt als een dividenduitkering. Afhankelijk van het totaal van de in het jaar 2025 ontvangen uitkeringen wordt deze belast tegen een tarief van 24,5 of 31% (box 2).

Het vervallen van de aftrek voor giften en het belasten van de gift als een winstuitdeling geldt voor alle giften, dus ook voor een kleine donatie aan bijv. het Rode Kruis van € 50. Ook voor deze kleine donatie zult u dus een aangifte dividendbelasting moeten doen en deze als inkomsten uit aanmerkelijk belang (box 2) moeten opnemen in uw aangifte inkomstenbelasting.

Sponsoring en reclame

Steunt uw BV goede doelen door middel van sponsoring of reclame, dan zijn de hiervoor betaalde bedragen geen giften maar zakelijke kosten. Deze kosten blijven net als andere bedrijfskosten aftrekbaar van de winst. Hetzelfde geldt voor uitgaven die u doet voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO).

Belastingplan 2025: de belangrijkste voorstellen voor u als MKB-ondernemer

Op Prinsjesdag 2024 is het belastingpakket voor de komende jaren bekendgemaakt. We zetten de belangrijkste voorstellen uit het Belastingplan 2025 en de aanvullende wetsvoorstellen voor het MKB voor u op een rij.

Ondernemingen:

Kostenaftrek werkruimte. De aftrekbaarheid van kosten voor een niet-zelfstandige werkruimte in een woning die tot het ondernemingsvermogen behoort, wordt verduidelijkt. Huurderslasten, zoals inrichtingskosten, gas, water en licht, zijn niet aftrekbaar.

Tip: Bekijk of het mogelijk is om uw niet-zelfstandige werkruimte om te vormen naar een zelfstandige werkruimte, zodat er meer ruimte voor kostenaftrek is.

Excessief lenen bij eigen BV. Sinds 2023 kunt u als dga niet langer meer dan € 500.000 van uw eigen BV lenen zonder fiscale consequenties. Een onbedoeld gevolg van deze maatregel heeft echter geleid tot dubbeltellingen bij leningen in samenwerkingsverbanden, zoals Vof’s en CV’s. Deze dubbeltellingen worden nu voorkomen. Ook wordt voorkomen dat de schulden voor meer dan de nominale waarde in aanmerking worden genomen.

Tip: Deze maatregel gaat met terugwerkende kracht in op 1 januari 2023. Controleer dus ook bestaande samenwerkingsverbanden en schulden nauwkeurig om onterechte dubbeltellingen te vermijden.

Giftenaftrek BV. De giftenaftrek in de vennootschapsbelasting (Vpb) en de regeling ‘geven uit de vennootschap’ worden afgeschaft. Vanaf 1 januari 2025 kan uw BV giften aan goede doelen niet langer aftrekken van de winst. Dit geldt zowel voor giftenaftrek in de Vpb als voor giften vanuit BV’s die aandeelhoudersmotieven volgen.

Let op: U moet dus vanaf 2025 donaties door uw BV herzien en mogelijk herstructureren om fiscale voordelen te optimaliseren. Overweeg zakelijke sponsoring als alternatief. De kosten van sponsoring blijven namelijk wel aftrekbaar.

Tarief box 2 verlaagd. Het kabinet draait de verhoging van het box 2-tarief in de tweede schijf terug. Dit tarief is op 1 januari 2024 omhooggegaan naar 33%, maar wordt weer verlaagd naar 31%. Hiermee wil het kabinet de belastingdruk op aanmerkelijkbelanghouders meer in lijn brengen met die van werknemers en IB-ondernemers.

Tip: Het kan fiscaal voordelig zijn een dividenduitkering uit te stellen tot 2025.

Bedrijfsopvolgingsregelingen:

Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). Als ondernemingsvermogen wordt overgedragen door schenking of vererving, kan dat tot heffing van schenk- of erfbelasting leiden. Om te voorkomen dat de continuïteit van de onderneming hierdoor in gevaar komt, kan er gebruik worden gemaakt van de BOR. Er is geen of minder erf- of schenkbelasting verschuldigd.

Doorschuifregelingen (DSR). De overdracht van ondernemingsvermogen leidt vaak tot de heffing van inkomstenbelasting. Er zijn diverse doorschuifregelingen (DSR) die ervoor zorgen dat deze heffing in bepaalde situaties wordt uitgesteld, zodat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt. Een van deze doorschuifregelingen is specifiek gericht op de schenking van een aanmerkelijk belang (de DSR ab). Een aanmerkelijk belang is, kort gezegd, een belang dat minimaal 5% van de (soort) aandelen in een BV vertegenwoordigt.

Alleen voor gewone aandelen. De BOR en DSR ab worden met ingang van 1 januari 2026 beperkt tot directe en indirecte aandelenbelangen van minimaal 5% van het totale geplaatste aandelenkapitaal. Alleen gewone (reguliere) aandelen kwalificeren nog, waarbij niet van belang is of deze aandelen stemrecht geven. Het doel van de wijzigingen is om de regelingen te beperken tot aandelen met voldoende ondernemingsrisico.

Tip: De BOR en DSR ab blijven gelden voor preferente aandelen die in het kader van een gefaseerde bedrijfsopvolging zijn uitgegeven.

Bezits- en voortzettingseis BOR. De BOR kan enkel worden toegepast als een verkrijger de onderneming vijf jaar voortzet. Deze termijn wijzigt in drie jaar. Knelpunten in de bezits- en voortzettingseis die betrekking hebben op wijzigingen in de juridische huls van een onderneming, zoals de inbreng van een eenmanszaak in een BV, worden opgelost. Als de subjectieve gerechtigdheid tot de onderneming niet toeneemt (bezitseis) of afneemt (voortzettingseis), mag dit geen belemmering zijn voor toepassing van de BOR.

Tip: De kortere voortzettingstermijn gaat al gelden voor verkrijgingen die zich voordoen vanaf 1 januari 2025.

Werkgevers:

Privégebruik ov-kaart. De maatregel ‘gerichte vrijstelling ov-abonnementen’ wordt verduidelijkt. Indien u als werkgever een werknemer de mogelijkheid geeft om vrij te reizen of met korting te reizen op uw kosten, dan zijn deze kosten gericht vrijgesteld, mits er enige mate van zakelijk gebruik plaatsvindt. De gerichte vrijstelling geldt dus ook voor privéreizen met een recht op vrij reizen of een recht op korting van de werkgever. De gerichte vrijstelling is ook uitgebreid naar niet-Nederlands openbaar vervoer.

Let op: De gerichte vrijstelling geldt niet voor privéreizen die met een privé ov-kaart zijn gemaakt.

De 30%-regeling. De versobering van de 30%-regeling uit 2024 wordt deels teruggedraaid. Vanaf 1 januari 2027 wordt de maximale onbelaste vergoeding 27%. Voor 2025 en 2026 blijft het percentage 30% voor alle ingekomen werknemers. De salarisnorm stijgt naar € 50.436 en voor werknemers jonger dan 30 jaar met een mastergraad naar € 38.338. Ingekomen werknemers die voor 2024 de 30%-regeling hebben gebruikt, vallen onder overgangsrecht. Voor hen blijft tot het einde van de looptijd een percentage van 30% en de oude (geïndexeerde) salarisnormen gelden.

Btw:

21% btw voor bepaalde diensten. Vanaf 1 januari 2026 wordt het verlaagde btw-tarief voor logies en bepaalde culturele goederen en diensten afgeschaft. Dit betekent dat het btw-tarief stijgt van 9 naar 21%. Dit geldt in ieder geval voor: hotels, pensions, boeken, sport, musea, muziek- en toneelvoorstellingen. Kamperen, attractieparken, speel- en siertuinen, circussen, dierentuinen en bioscopen zijn uitgezonderd van deze verhoging.

Herziening btw-investeringsdiensten. Per 1 januari 2026 wordt de btw-herzieningsregeling uitgebreid naar investeringsdiensten voor onroerende zaken. De btw op deze diensten wordt vijf jaar gevolgd, vergelijkbaar met roerende investeringsgoederen.

Tip: Deze maatregel biedt sommige ondernemers de mogelijkheid om eerder niet in aftrek gebrachte btw alsnog als voorbelasting in aftrek te brengen.

Let op: Deze maatregel leidt mogelijk tot herzienings-btw voor ondernemers die – na het eerste jaar belast gebruik – de onroerende zaak binnen de herzieningstermijn vrijgesteld gaan verhuren.

Vastgoed:

Overdrachtsbelasting voor woningen. Het kabinet stelt voor om het reguliere tarief voor de overdrachtsbelasting ten aanzien van de verkrijging van woningen met ingang van 1 januari 2026 te verlagen van 10,4 naar 8%. Voor een woning die de koper langdurig zelf gaat bewonen, blijft het (bestaande) verlaagde tarief van 2% of de startersvrijstelling van toepassing.

Auto & mobiliteit:

Tariefkorting emissievrije auto’s. Bezitters van emissievrije voertuigen betalen momenteel geen motorrijtuigenbelasting en vanaf 1 januari 2025 geldt er een kwarttarief. Deze korting eindigt echter op 1 januari 2026, waarna de motorrijtuigenbelasting voor elektrische auto’s hoger wordt dan voor vergelijkbare benzineauto’s. Om stagnatie in de groei van emissievrije auto’s te voorkomen, wordt er vanaf 1 januari 2026 een nieuwe tariefkorting van 25% op de motorrijtuigenbelasting ingevoerd. Deze korting geldt tot 2030 en wordt toegepast op zowel het rijksdeel als de provinciale opcenten.

Doorlopend gebruik bestelauto. Als een bestelauto vanwege de aard van het werk doorlopend afwisselend door twee of meer werknemers wordt gebruikt, is het vaak lastig vast te stellen of en aan wie de bestelauto voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld. In plaats van een bijtelling bij de werknemers in aanmerking te nemen, kunt u als werkgever een vast bedrag van € 300 per jaar via de eindheffing betalen. Dit bedrag is sinds 2006 niet gewijzigd. Dit bedrag gaat naar € 438 per jaar en wordt vanaf 1 januari 2026 jaarlijks geïndexeerd, zodat het beter aansluit bij de daadwerkelijke omvang van het privévoordeel.

Einde speciaal bpm-tarief PHEV’s. De Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (BPM) kent sinds 1 januari 2017 een specifieke tarieftabel voor plug-inhybridevoertuigen (PHEV’s) om het verschil tussen de geteste en werkelijke CO2-uitstoot te compenseren. Door recente Europese regelgeving wordt de CO2-metingsmethode voor PHEV’s aangepast, waardoor de uitstootcijfers realistischer worden. Vanaf 2025 vervalt de specifieke PHEV-tarieftabel en worden PHEV’s onder de reguliere bpm-tarieven voor personenauto’s belast.

Einde bpm-vrijstelling bestelauto’s. De bpm-vrijstelling voor bestelauto’s van ondernemers vervalt. De bpm-grondslag verschuift naar CO2-uitstoot. Voor bestelauto’s zonder vastgestelde CO2-waarde wordt een forfait van 330 gram per kilometer toegepast.

Tip: Controleer of uw bestelauto’s voldoen aan de nieuwe CO2-regels om extra kosten te voorkomen.

Particulieren:

Nieuwe regels voor box 3. Er komt nog nieuwe wetgeving met regels voor het bepalen van het werkelijke rendement in box 3. Deze regels zijn nodig omdat de Hoge Raad heeft beslist dat als het werkelijke rendement in box 3 lager is dan het forfaitaire rendement, er belasting zou moeten worden geheven over het werkelijke rendement. De nieuwe regels zien op de jaren vanaf 2017 en zijn belangrijk voor belastingplichtigen met box 3-inkomen die een beroep kunnen doen op de uitspraken van de Hoge Raad. Het is de bedoeling dat de nieuwe regels per 1 juni 2025 worden ingevoerd.

Salderingsregeling zonnepanelen. Eindafnemers met een kleine installatie ontvangen momenteel voor de ingevoerde elektriciteit hetzelfde tarief (leveringskosten, energiebelasting en btw) als voor de onttrokken elektriciteit. Deze salderingsregeling gaat vervallen. Het kabinet stelt voor dat vanaf 2027 teruggeleverde elektriciteit niet meer wordt gesaldeerd met geleverde elektriciteit.

Belangrijke uitspraak Hoge Raad over box 3

De Hoge Raad heeft op 6 juni 2024 uitspraak gedaan in vijf zaken die gaan over de Wet rechtsherstel box 3. Wat speelt er?

Kerstarrest. De Hoge Raad heeft eind december 2021 in het zogenoemde ‘Kerstarrest’ geoordeeld dat het systeem van de forfaitaire vermogensrendementsheffing in box 3 een verboden vorm van discriminatie inhoudt. Dit is volgens de Hoge Raad in strijd met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In reactie daarop heeft de overheid met de Wet rechtsherstel box 3 het systeem aangepast. Op dit moment wordt er rechtsherstel verleend op basis van de forfaitaire spaarvariant. Daarin wordt uitgegaan van de daadwerkelijke samenstelling van het box 3-vermogen, waarop vervolgens fictieve rendementen worden toegepast.

Wet rechtsherstel box 3 ook in strijd met het EVRM. De Hoge Raad (Hoge Raad: box 3-heffing nog steeds discriminerend – Hoge Raad) heeft nu echter geoordeeld dat alleen voor de categorie overige bezittingen, zoals vastgoed, aandelen en beleggingen, het rechtsherstel onvoldoende is als het werkelijk rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Dit geldt ook voor de op 1 januari 2023 in werking getreden Overbruggingswet box 3. Volgens de Hoge Raad valt onder werkelijk rendement het gehele vermogen, inclusief banktegoeden en inflatiewinst. Dit betekent dat gerealiseerde en ongerealiseerde positieve en negatieve waardeveranderingen behoren tot het werkelijk rendement en meegenomen moeten worden in de berekening. Bij de berekening van het werkelijk rendement in een jaar, hoeft er volgens de Hoge Raad geen rekening gehouden te worden met positieve of negatieve rendementen uit andere jaren. Met de gemaakte kosten mag, afgezien van rente op schulden, geen rekening worden gehouden. Let op. Het is aan de belastingplichtige om aan te tonen dat zijn werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement.

Reactie staatssecretaris Van Rij. Volgens staatssecretaris Van Rij heeft deze uitspraak van de Hoge Raad grote budgettaire gevolgen en consequenties voor de uitvoering door de Belastingdienst. Zij gaan de uitspraken en de gevolgen van de uitspraken nu bestuderen en in kaart brengen. Van Rij verwacht dat hiervoor zo’n acht weken de tijd nodig is. In de tussentijd hoeven belastingplichtigen niets te doen. Zodra er meer duidelijk is, worden zij geïnformeerd. Belastingplichtigen voor wie de uitspraak gevolgen heeft, krijgen eerst van de Belastingdienst een brief.

Volgens de Hoge Raad is de box 3-heffing nog steeds discriminerend. Staatssecretaris Van Rij verwacht circa acht weken nodig te hebben om de uitspraken en de gevolgen daarvan in kaart te brengen. Van Rij heeft bekendgemaakt dat belastingplichtigen voor wie deze uitspraak gevolgen heeft, in de tussentijd niets hoeven te doen. Zodra er meer duidelijkheid is, worden zij daarover geïnformeerd.

16.02.2024 BTW

Dien de suppletie btw 2023 voor 1 april 2024 in

Als achteraf blijkt dat er te weinig btw is afgedragen of juist te veel btw is betaald, dan moet dit zo snel mogelijk gecorrigeerd worden met een btw-suppletieaangifte.

Corrigeren via een btw-suppletieaangifte. Ingeval er geconstateerd wordt dat een btw-aangifte over een tijdvak in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of onvolledig is gedaan, moet u als btw-ondernemer bij wijze van een btw-suppletieaangifte alsnog de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekken. Vaak wordt dit bijv. geconstateerd bij het opmaken van de jaarrekening. Tip.  U moet voor de suppletie het formulier Suppletie omzetbelasting gebruiken. Dit is te vinden op de website van de Belastingdienst via Inloggen voor ondernemers.

Nog niet betalen. De ingediende btw-suppletieaangifte leidt tot een naheffingsaanslag of deze wordt behandeld als een ambtshalve verzoek om teruggaaf. Het verschuldigde bedrag hoeft pas na ontvangst van de naheffingsaanslag te worden betaald.

Voor 1 april, geen belastingrente. Als er voor 1 april van het opvolgende jaar vrijwillig een correctie voor te weinig aangegeven btw in het jaar daarvoor wordt gedaan, dan hoeft u geen belastingrente te betalen. Let op.  De belastingrente is met ingang van 2024 maar liefst 7,5%.

Geen verzuimboetes meer. Wettelijk gezien bedraagt de boete bij een vrijwillige verbetering 5%, met een maximum van € 5.514. Als het te betalen btw-bedrag als gevolg van de suppletie niet hoger is dan € 20.000 of 10% van de eerder per saldo betaalde of terugontvangen btw over dat tijdvak, wordt er geen boete opgelegd. Tip.  Sinds juni 2023 worden er door de Belastingdienst geen verzuimboetes meer opgelegd bij het opleggen van naheffingsaanslagen als gevolg van vrijwillige verbeteringen. Dit is het gevolg van rechtspraak van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat informatie die een ondernemer verstrekt op grond van een wettelijke mededelingsplicht, niet gebruikt mag worden als motivatie voor het opleggen van een boete.

Correctie minder dan € 1.000. Als de btw-correctie lager is dan € 1.000 (positief of negatief), hoeft u niet te suppleren maar kunt u de correctie verwerken in de eerstvolgende reguliere btw-aangifte. Houd er rekening mee dat u dan geen teruggaafbeschikking of naheffingsaanslag krijgt.

Als u voor 1 april 2024 een suppletieaangifte indient voor de te weinig aangegeven btw in 2023, betaalt u geen belastingrente. U moet de suppletie digitaal indienen.